|
Omschrijving:
Zuivere leegte is het slotstuk van een trilogie die in Japan, Amsterdam en de Amerikaanse staten Maine en Arizona speelt, locaties waar de schrijver zenavonturen beleefde. De kern van deze wijsgerig-cynische en oprecht-komieke autobiografie is het (filosofisch-mystieke) Niets, dat van de Wetering al als jongen fascineerde omdat het hem 'aan naakte vrouwen en Harley Davidsons deed denken'.
Zijn hele leven lang heeft Janwillem van de Wetering zich met zenboeddhisme beziggehouden. De vraag naar de zin van het leven heeft hem nooit losgelaten. Dat mensen moeten lijden, vindt hij onaanvaardbaar. Hij zocht naar een allesomvattende verklaring, maar was met geen enkel antwoord tevreden. Op die niet aflatende zoektocht ontmoette hij gewezen kloosterleerlingen, op macht belustte zenmeesters, ontgoochelde aanhangers, een aan alcohol verslaafde maar integere Tibetaanse Rinpoche, de vrolijke zelfgekozen goeroe Baba en de onovertroffen, door zestig zenmeesters erkende superleerling, die hij vreselijk benijdt tot hij erachter komt dat zelfs hij niets met zekerheid weet, ook al heeft hij alle koans opgelost.
Van de Weterings terugblik op zijn levenslange worsteling met de grote existentiële vragen bevat talloze koddige en hoogst ongewone verhalen. Met zijn menselijkheid, humor en openheid voor alle facetten van het leven weet hij al zijn lezers te raken, ongeacht of die zich tot het zenboeddhisme voelen aangetrokken of niet.
Fragment: De afscheidskoan
Het belang van koanstudie (koan betekent 'openbaar vraagstuk') wordt sterk overdreven. Een hindoeleraar, die ik Baba zal noemen, een Indiër, in het wit gekleed, die ik op de ingesneeuwde luchthaven van Boston ontmoette, zei dat. Maar het kon zijn dat hij zelf overdreef. Er is nogal wat concurrentie tussen de religies. Je krijgt ook met jaloezie te maken. Jaloezie glipt in iedere godsdienst binnen. Een van mijn voormalige zenleraren had het daarover, tijdens een zondagochtendtoespraak, kort voordat zijn centrum ophield te bestaan en wij, de discipelen, terugkeerden in de wijde wereld. De meesten van ons verlieten de streek en verdwenen in de onmetelijkheid van het Noord-Amerikaanse continent. Ik bleef in de buurt en ontdekte, na enige jaren, met een buurman meevliegend, boven de wilde bossen van de Amerikaanse kuststaat Maine, een spoor dat tot een confrontatie met een van mijn oude makkers leidde. Ik zal de makker Ben-san noemen. Ben-san was eens een idealist en reisde tijdens de idealistische jaren zestig naar Japan om zen te beoefenen. Het toeval wilde dat hij in dezelfde tempel als ik terechtkwam, maar we ontmoetten elkaar niet; tussen mijn vertrek en zijn aankomst lagen luttele weken. Onze latere ontmoeting in Maine, VS, was een belevenis. Ben-san en ik kenden dezelfde mensen in het toenmalige Kyoto. Zenmeester, hoofdmonnik, gewone monniken - Ben-san herinnerde zich hen net zo goed als ik. Onze gedeelde herinnering besloot zelfs de cafés in de beroemde wilgenbuurt van Kyoto, waar zowel hij als ik vrije avonden doorbrachten. Net als ik bleef Ben-san een paar jaar in het Japanse klooster, kreeg de beroemde 'Mu'-koan als meditatieonderwerp, wist, net als ik, niet wat hij met de vele aspecten van de zo eenvoudig lijkende anekdote aan moest en vervolgde zijn weg met het idee dat hij niets had bereikt en weer van voren af aan kon beginnen. Er waren nog andere punten van overeenkomst: we waren even oud, beiden blank, beiden protestants opgevoed, in zijn geval zelfs streng calvinistisch en we dronken geregeld te veel, Ben-san bier, ik whisky. Er zat ook enige kunstzinnigheid in onze gemeenschappelijke aard, Ben-sans smaak was beïnvloed door oosterse architectuur en gedichten, ik werd gefascineerd door surrealisme en avant-gardeliteratuur. In Amerika, gedurende de vroege jaren zeventig, zetten we onze zenstudie voort onder dezelfde leraar, een meester die ik hier Sensei zal noemen. Sensei bracht jaren in Japanse zentempels door en zijn inzicht, volgens als betrouwbaar veronderstelde bronnen, zou volmaakt zijn. Ben en ik meldden ons bij de nederzetting, die Sensei aan de kust van Maine had opgebouwd en zagen onszelf als overpeinzers van zenwijsheid, zoals die is vastgelegd in onlogische meditatieraadsels bekend als 'koans'. We geloofden dat we de weg volgden die, in zentaal, 'geen weg mag heten'. De koans waar zenstudenten en hun meesters zoveel waarde aan hechten waren dezelfde die Baba, de Indische goeroe die ik op Logan, de luchthaven van Boston, ontmoette, minzaam bekritiseerde. De traditionele zenvragen, door hindoegoeroe Baba grondig beproefd, zouden niet meer dan slimmigheden zijn, 'lang genoeg, maar je komt er niet ver mee'. Baba, tijdens die lange dag waarin alle vluchten vertraagd waren, zei teleurgesteld te zijn. 'Weet je, ik had, gezien de reputatie van zen, iets meer verwacht, ja.' Baba glimlachte vergoelijkend. Ik lachte. Iets meer verwacht. Dezelfde woorden die Sensei gebruikte als hij ons, na een week van tien uur per dag stilzitten, weinig slaap, pijn en verveling, in zijn blokhut-tempel uitfoeterde en bekritiseerde. Sensei glimlachte niet vergoelijkend. Wat we ook deden, de prestatie viel keihard tegen. Tussen de in de luchthaven door gebrek aan stoelen en tekort aan wc's geërgerde en op het einde van de sneeuwstorm wachtende passagiers viel Baba's rijzige, smetteloos geklede gestalte op. Altijd geïnteresseerd in menselijke wijsheid had ik de merkwaardige man benaderd. Baba's overvloedige zilvergrijze haardos omlijstte een smal lang gezicht waaruit de haakneus (uit de gesperde neusgaten krulde meer zilver haar) agressief naar voren stak. De grote zachte ogen straalden echter vriendelijk genoeg. 'U bent een goeroe, meneer É?' Ik zei mijn naam. 'Baba.' Hij schudde mijn uitgestoken hand. 'Ik ben, inderdaad, een goeroe.' Baba sprak met zangerig accent, had een hoge stem en articuleerde iedere lettergreep zorgvuldig. 'En jij bent op zoek naar de waarheid?' 'Ik deed aan zen.' 'En daar doe je niet meer aan?' 'Ik heb nog vragen.' 'En je hebt je bekomst van zen?' 'Ach nee', zei ik. 'Misschien heeft zen zijn bekomst van mij.' Baba knikte begrijpend. Hij kende de wisselvalligheid die bij de geestelijke speurtocht hoort. Hij wist ook waar zendiscipline uit bestaat. Je doet zazen, stilzittende meditatie, liefst met de benen zodanig gevouwen dat je gestrengelde handen tussen je blote voetzolen kunnen rusten. Zazen concentreert zich op een koan. Een koan is een dharma-vraag. Dharma is de boeddhistische leer. Een koan behelst een principe van die leer, maar wordt als een onlogisch schijnend raadsel, een soms zotte anekdote, doorgegeven. De discipel ontmoet, dagelijks en het liefst voor de zon opgaat, zijn leraar, die hij met roshi aanspreekt. Roshi betekent 'oude man'. De unsui (unsui betekent 'zwevende wolk') strekt zich driemaal uit op de tatami (stromat) en knielt daarna voor de op kussens tronende roshi. Hij vertelt de roshi met welke koan hij bezig is (alsof de roshi dat niet wist) en bedenkt een antwoord. Het antwoord is verkeerd en de roshi rinkelt met een bel. De unsui strekt zich drie keer uit, buigt en verlaat de sanzenkamer. De ontmoeting van roshi en unsui heet sanzen. Het sanzenkamertje wordt in zentempels als een heilige ruimte beschouwd. Ik vertelde Baba dat ik, na een anderhalf jaar durende logeerpartij in Daitoku-ji, een zenklooster in Kyoto, Japan, was doorgegaan met het in verschillende zengemeenten doorbrengen van uit mijn werk vrijgenomen meditatieweken, sesshins, al met al een twintig jaar lang. 'Een trouwe ziel', zei Baba. 'Het wordt een gewoonte', zei ik. 'Hoe komt het dat u een goeroe bent, Baba?'
|